Een genadige windvlaag

Op een berg in een land hier ver vandaan staat helemaal bovenop de top een kleine kapel waarvan de deur altijd open staat, maar die van binnen leeg is. Geen stoel of bank wacht er de vermoeide bergbeklimmer die daar wellicht een moment van rust en bezinning hoopte te vinden. Het is er uitgestorven, zelfs een kruisbeeld ontbreekt, er is alleen de eeuwenoude stenen vloer die, als je moe bent van het staan, uitnodigt om te knielen of in aanbidding je languit voorover op de grond uit te strekken. Behalve het licht dat door de ramen naar binnen valt is er niets daar dat aan God herinnert en daardoor herinnert tegelijkertijd alles aan Hem.

De bevolking in het dal aan de voet van de berg beweert dat op Pinksterzondag, vroeg in de ochtend als de eerste zonnestralen de oostkant van de kapel beginnen te verwarmen, binnen in de ruimte prachtige, mysterieuze orgelklanken hoorbaar zijn. Alsof de Geest van God zelf door de windlade van een onzichtbaar orgel blaast. En wie de moeite neemt om op Pinkstermorgen daar in die kapel aanwezig te zijn en eerbiedig naar de muziek luistert, die keert als herboren weer terug naar beneden en voelt zich bijna zo sterk en vol van vreugde, verwachting en hoop als die eerste mens zich moet hebben gevoeld toen God, nadat Hij hem uit het stof van de aarde had gevormd, Zijn eigen levensadem in de neus blies.

Er drijven letters op het water

Een vloed verwensingen en vloeken
sloeg razend in een andere tijd
een gat in het achterland
en nu nog drijven letters op het water
van het verdronkenwoordenvliet
daartussen vissen, op hun rug
gestorven aan het lezen.

Vanaf de oever schreeuw ik luid
mijn hardop uitgesproken liefdewoorden
naar de verlaten overkant:
ooit moet de boel toch weer verzanden.

Schrijfveren (2)

Het onzegbare

Het veelzeggend wit tussen woorden die ik schrijf
en de onmisbare afstand tussen regels
zijn ruimte die onmogelijk gevuld kan worden.
Het negatief van donkere materie
is overal
oreren mensen die makkelijk praten hebben.

Maar wat naamloos is moet woordeloos blijven:
een sprakeloos bewustzijn
tast om zich heen
gevangen tussen zwarte begrenzingen.

 

Zeehonden

Draai de bal nog eens vrolijk rond op je snoet
klap nog eens blij in je vinnen
buig naar het dankbaar publiek
de wereld is een dolfijn Disneyland

al hou je natuurlijk altijd rotte vissen
zoals Brigitte Bardot en Lenie ’t Hart
die denken dat ze het beter weten.

 

Je stem in inkt

We zien elkaar ooit weer, zong jij
niet dat ik weet wanneer, zong jij
of waar – maar wel dat dan de zon zal schijnen

vanochtend meldt de krant jouw overlijden.

 

Schrijfveren zijn dagelijkse schrijfopdrachten van schrijfcoach Hella Kuipers. Ideaal als dagelijkse letterkunstige vingeroefening! En hier staan ze dus.

 

Met de doden spreken

Mijn nicht, Johanna, had zichzelf van het leven beroofd. Een oom van haar vaders kant die al jaren lang geen belangstelling meer voor de familie aan de dag legde, belde haar ouders op om te vragen “hoe of ze het gedaan had.” Belangstelling kan uitdoven, maar nieuwsgierigheid en harteloosheid zijn onuitroeibaar.

Op een bewolkte zomerdag in 1975 togen we naar het kerkhof om haar te begraven. Mijn vader stond erop dat wij onze fietsen niet bij het kerkhof zouden stallen, maar in de tuin van een goede bekende van hem, meneer V. die daar vlakbij woonde; volgens mijn moeder alleen maar omdat hij dan goede sier kon maken bij meneer V. met het vreselijke verhaal over het tragische einde van onze nicht.

Johanna had een paar jaar eerder belijdenis gedaan bij een moderne dominee die het antwoord op veel vragen zelf ook niet wist en die een grote aantrekkingskracht op ongelukkige jonge mensen had, zowel van binnen als van buiten de kerk. De buitenkerkelijk opgevoede homofiele zoon van een jeugdvriendin van mijn moeder had tegelijk met haar bij dezelfde dominee belijdenis gedaan en ook hij zou later zelfmoord plegen. Omdat deze dominee inmiddels naar een andere gemeente vertrokken was werd de plechtigheid geleid door zijn opvolger, die enkele woorden sprak naar aanleiding van de door hem voorgelezen Psalm 39. Na afloop van de plechtigheid zou ik met mijn zus nog ruzie krijgen over de juiste interpretatie van deze woorden.

Toen we op het kerkhof aankwamen trad ons een oudere dame tegemoet die als enige van de aanwezigen geen verslagenheid maar juist een zekere vreugde leek uit te stralen. Ik voelde onmiddellijk een sterke antipathie tegen haar. Zij bleek een tante van mijn moeder te zijn, over wie ik al veel gehoord had, maar die ik nog nooit had ontmoet. Tante Cato was spiritiste, lid van Harmonia en kerkte, merkwaardig genoeg, bij voorkeur bij een van de vele zwartekousengenootschappen die haar woonplaats rijk was “omdat ze daar zulke fijne dominees hebben.” Zij straalde uit dat ze een Wetende was en deelde ons ongevraagd mee dat Johanna nu beter af was. Het ontbrak er nog maar aan dat ze beweerde dat ze haar die ochtend nog gesproken had.

Het was een droevige plechtigheid. De man van Johanna huilde, al zou hij spoedig hertrouwen. Haar invalide vader in zijn rolstoel snikte hartverscheurend. Verder zweeg iedereen, behalve uiteraard de dominee, die ervoor betaald werd iets te zeggen. Na afloop bleek tot mijn verrassing tante Cato niet als enige hoopvol gestemd. Een huisvriend van mijn ouders die zich vanuit zijn godsdienstige achtergrond oprecht zorgen maakte over de vraag of Johanna niet de helse verdoemenis in plaats van de hemelse zaligheid deelachtig was geworden, vertrouwde, alvorens op de Solex naar huis terug te rijden, mijn moeder ontroerd toe dat hij God om een teken had gevraagd “als ze behouden was en precies op dat moment brak de zon door.”

Arme Johanna. Het is tegenwoordig heel gewoon om gestorvenen in advertenties en bij uitvaarten toe te spreken alsof ze nog in ons midden zijn en alles meebeleven. Je hoort weliswaar nooit iets terug, maar daar lijken de sprekers ook niet echt behoefte aan te hebben. Bij Johanna’s uitvaart heeft in ieder geval niemand het gewaagd om haar hardop te vragen waarom ze niet meer wilde leven. En waarom zouden ze ook? Haar naasten hadden er bij haar leven al blijk van gegeven dat ze haar niet serieus namen. Maar wat zou het mooi geweest zijn als daar, terwijl de kist naar beneden zonk, opeens de stem van Johanna geklonken had terwijl ze haar woede-uitbasting inleidde door zelf het begin van Psalm 39 nog eens aan te halen:

Ik had mij voorgehouden: Ik moet mij beheersen
en mijn tong voor zonde behoeden
mijn mond met een muilband bedwingen
te midden van mensen zonder God of gebod.

Het zou, vermoed ik, zelfs tante Cato met stomheid hebben geslagen.

Muziek, muziek

Over lijstjes niets dan goeds. Natuurlijk kunnen ze nooit representatief zijn. Zoveel hoofden, zoveel zinnen. Remco Ekkers heeft echt zijn best gedaan.

Maar toch hè. Dat er in heel die lijst maar één uitgesproken calvinist voorkomt, namelijk Marnix van Sint Aldegonde. En verder alleen nog Achterberg en Nijhoff, die, de één wat meer dan de ander, een calvinistische nestgeur met zich dragen. Géén Jacobus Revius, terwijl diens Hij droeg onze smarten toch ook gerust een klassieker genoemd mag worden, en vooral: géén Ida Gerhardt.

Ida Gerhardt wilde helemaal geen calvinistisch dichter genoemd worden, want ze werd al razend als men haar een protestants dichter noemde.Toch is haar werk doordesemd van het calvinisme: strak en streng van vorm, zonder een woord teveel, religieus van inhoud, somber op het vreugdeloze af en vol met harteloze, koude mensen. Opwekkende regels als Den vreemdeling behoede God/de heemhond vliegt hem naar de strot kom je overal in haar werk tegen. En ook zo calvinistisch aan haar: voortdurend de neergang van Nederland beschrijven en hekelen, zoals in dit kwatrijn.

Maar nu het gedicht waar het mij om gaat: Tussenspel uit de bundel Het Levend Monogram. De classicus Ida Gerhardt richt zich hier tot Pegasus, het mythische, gevleugelde paard dat de muzen en de dichters inspireerde. Ik vind het prachtig en ik ga niet proberen uit te leggen waarom.

Ida Gerhardt zou er ongetwijfeld van gruwen om met zoiets platvloers als de Top 2000 in verband te worden gebracht. Maar ja, er staat toch echt: O lieflijkheid – Muziek, muziek, muziek. En als ze nu wat later geboren was en wat minder door dat strenge calvinisme gestempeld, zou ze dan ABBA hebben kunnen waarderen? Al was het misschien alleen maar omdat ABBA het rijmschema in haar eerste strofe is? Er is veel verzet in haar werk te lezen tegen wat zij als haar roeping beschouwde. Maar soms ook: dankbaarheid voor de stem aan háár gegeven.

460 ABBA Thank You For The Music.

Afsluitend blog van de Schrijftop2000.

Sterre der zee

Lees hier het gedicht Voor wie ik liefheb, wil ik heten van Neeltje Maria Min.

Neeltje Maria Min. Het klinkt als de naam van een gezonken schip. “Voor de kust van Bergen, Noord-Holland, is gisteravond de Neeltje Maria Min met man en muis vergaan. Tot diep in de nacht is vergeefs naar overlevenden gezocht. Vandaag zal een poging worden gedaan het wrak te bergen.”

Maar Neeltje Maria Min is geen wrak. Ze is een jonge vrouw die in verwachting is. Ze wil een keten zijn. Misschien wel in een ankerketting. De verbindende schakel tussen generaties. En ze wil geborgen zijn. Aanleggen in een veilige haven.

Voor wie zij liefheeft wil zij heten. Noem mij bij mijn diepste naam, smeekt ze. Maar die weten we niet. Wij weten slechts dat ze Neeltje heet. Die naam betekent: de gehoornde, de beschermheilige van (gehoornd) rundvee. En Maria heet ze. Maria, was dat niet die vrouw die een heel bijzonder kind kreeg? Die naam betekent bitterheid, of ster van de zee. En Min. Is dat niet de gebiedende wijs van minnen, d.w.z. liefhebben? De beschermheilige van het rundvee. De Sterre der zee. Die het bevel krijgt lief te hebben. Is dat haar oppervlakkige naam of haar diepste? Wij weten het niet. Weet ze het zelf? Of ligt haar diepste naam misschien wel op de bodem van de zee? Dan zou ze er goed aan doen om, net als Nijhoff, naar beneden in het water te turen. Wellicht dat ze dan ook het kind en zichzelf ziet, als de sterren haar bijlichten.

248 Kate Bush The Man With The child In His Eyes.

Blog in het kader van de Schrijftop2000.

Zo lang het duurt natuurlijk

Nog zo’n gedicht uit de goede oude tijd. In 1969 deden we alles op de fiets en verbouwden onze eigen onbespoten groente. Zolang het duurde natuurlijk. Inmiddels warmt de aarde op, sterven de bijen bij bosjes en probeert Monsanto achter de schermen onze overheden zo ver te krijgen dat het telen van je eigen groente wereldwijd verboden wordt. De gepatenteerde Frankensteingedrochten van de multinationale gentechnoloog zullen we vreten. Voedsel is geen mensenrecht meer, maar een goudmijn voor maffioso. Natuurlijke voeding is misdadig. Zegt de georganiseerde misdaad.

De tijden zijn helemaal niet veranderd. De hemelbestormers uit de jaren zestig zijn gevallen engelen geworden en hun verdorven nageslacht verrijkt zich op Wall Street en in de board- en trading rooms van deze wereld. Bob Dylan die optreedt in het Witte Huis voor een president die per autopen en drone regeert en wiens geheime diensten de hele wereld afluisteren. Altijd al een hekel aan dat liedje gehad. De tekst is nog valser dan de muziek.

469 Bob Dylan The Times Are A-Changing

Blog in het kader van de Schrijftop2000.