Onredelijk

Altijd als het herfst wordt denk ik dat de wereld ten dode is opgeschreven. De dagen worden korter, de bomen verliezen hun blad, de tuin begeeft het, het is bewolkt, het waait, het water komt met bakken uit de hemel. Het wordt kouder. De kinderen die mij op straat tegemoet fietsen kijken nog ernstiger dan anders.

Ik deed boodschappen bij Albert Heijn, om ongeveer acht uur ’s avonds. Het was donker op de parkeerplaats. In plaats van de beroepsdakloze die daar vaak om geld staat te zeuren zat er nu een jongen op een kleed op de grond, met zijn hebben en houden uitgespreid om zich heen plus een grote hond. In zijn handen een gitaar. Hij sprak de hond verwijtend toe toen ik aan kwam fietsen. Mensen die kinderen en huisdieren verwijten maken zijn ten einde raad. Kinderen en huisdieren zijn niet redelijk. Je kunt ze opvoeden, africhten of hoe je het noemen wilt, maar op het moment dat je ze verwijten begint te maken is het duidelijk dat de situatie je boven het hoofd is gegroeid. Terwijl ik mijn fiets op slot zette tokkelde hij een paar onbestemde akkoorden. Zelfs als je nog nooit van je leven een gitaar had aangeraakt zou je na een paar lessen in staat moeten zijn om het instrument soortgelijke geluiden te ontfutselen. Nu begon hij er ook met schorre stem bij te zingen. Indien er van het getokkel al enige bekoring was uitgegaan, werd dit door de zang weer grondig teniet gedaan. Ik voelde op slag sympathie voor hem. Zoals de bedelende beroepsdakloze er bij onze eerste ontmoeting al in was geslaagd mij tegen zich in te nemen, zo was ik meteen begaan met de hoofdpersoon in dit treurige tafereel: een jonge man met een onredelijke hond, gespeend van ieder muzikaal talent die als een soort herfstkrekel, tegen beter weten in, weigerde het hoofd in de schoot te leggen en besloten had als zelfbenoemd autodidact straatmuzikant het noodlot te weerstaan.

Toen ik de supermarkt weer uitkwam zat hij er nog steeds. De hond lag in diepe rust uitgestrekt terwijl zijn baas op de gitaar enkele klassiek aandoende klanken ten gehore bracht. Het klonk veelbelovend maar er kwam geen vervolg. Vanuit mijn ooghoeken bestudeerde ik het tafereel. Er stond een stuk karton voor zijn voeten opgesteld met een tekst erop geschreven. Daarnaast een bord waarop geldstukken lagen. Toen ik langs hem heenliep om mijn karretje weg te zetten zag ik kans de tekst te lezen: Too young to prostitute, too stupid to steal. Sinds wanneer zou iemand te jong kunnen zijn om zich te prostitueren dacht ik, maar als grap kon ik het waarderen. Twee paradoxen die samen één zin vormden, dat kan niet iedereen. Toen ik mijn karretje had weggezet legde ik een euro en twee vijftigcentstukken op het bord met geld. Hij bedankte me en ik had kans hem even van dichtbij te bekijken. Hij zag er veel jonger uit dan ik gedacht had, nauwelijks volwassen. Een sterke lichaamsgeur kwam mij tegemoet. Ik schrok van de paniek in zijn ogen. Het tafereel mocht dan een zekere vredigheid of naïviteit uitstralen, maar de blik in zijn ogen sprak andere taal. Hier zat iemand die de afloop van zijn eigen verhaal allang kende, maar die het omslaan van de volgende bladzij zo lang mogelijk probeerde uit te stellen.

Terwijl ik mijn fiets van het slot afhaalde zag ik hoe hij de drie munten die ik had neergelegd oppakte en bestudeerde. De rest van de muntstukken zat kennelijk vastgeplakt, wat mij onverwacht professioneel voorkwam. Toen ik met mijn fiets langs hem heenliep bedankte hij me voor de royale gift. Ik lachte zo goed en zo kwaad als het ging en stak mijn duim op. Ik kon er niet toe komen iets bemoedigends tegen hem te zeggen.

Wat duizenden daklozen en vluchtelingen die avond aan avond over mijn televisiescherm trekken niet voor elkaar kregen, lukte een lokale verschoppeling. Ik werd overvallen door een immens verdriet, terwijl ik met mijn levensmiddelen en toiletartikelen huiswaarts fietste. Ik nam mij voor mijn boodschappen de komende tijd zoveel mogelijk overdag te doen. We gaan een donkere tijd tegemoet.

Kerstverhaal

Albert Heijn, vrijdag voor kerst. Het is druk. Ik monster de mandarijnen die in de aanbieding zijn en hoor een jonge vrouw naast mij tegen haar vriend zeggen: “Ik ook. Ik beuk iedereen opzij.” Ik kijk voorzichtig in haar richting. Ze ziet er uit alsof ze het meent. Iemand die het ver gaat schoppen in deze wereld. Bij de groenteafdeling zijn twee personeelsleden als razenden bezig verpakte groenten in de koelvitrines te leggen. Ondertussen zien ze nog kans een gesprek met elkaar te voeren. “Waar is je dochter dan nu?”vraagt hij. “Bij mijn moeder”, antwoordt zij.” En je broer dan?” “Bij een vriend.” “Maar staat hij ingeschreven voor een huis?” “Ja, dat heeft hij nu net gedaan.” “Nu pas? Dan kan hij nog tien jaar wachten.” “Ja, dat weet hij, maar wat moet je? Zonder die kleine zou het wel te doen zijn.” Twee zakken gewassen spinazie van 400 gram elk, dat moet wel genoeg zijn. Ongelooflijk hoeveel van die zakken er nog op de kar liggen. En allemaal uit Spanje. Het Spaanse landschap moet er uitzonderlijk kaalgevreten uitzien deze dagen. Hoe zou het trouwens zijn om geen eigen woonruimte te hebben en als een razende de schappen te vullen voor mensen die wel een huis hebben en karrevrachten boodschappen meeslepen, als hamsters naar hun hol? Eigenlijk is alles best makkelijk te vinden, alleen de pijnboompitten, waar moet ik die vandaan halen? De filiaalmanager – ik ben pas tevreden als u het bent – die gekleed is alsof hij een galavoorstelling bijwoont, drukt mij glimlachend de duurste verpakking van het product in de hand en wenst mij nog net geen zalig kerstfeest.

Welke kassa ga ik nu kiezen? Ik heb een zwak voor islamitische caissières met een hoofddoekje, vooral als het gezicht dan ook nog zorgvuldig opgemaakt is. Ik tref het. Deze is heel vrolijk en vriendelijk. Opmerkelijk vrolijk en vriendelijk zelfs. Is de kerstdrukte haar naar het hoofd gestegen of heeft ze gewoon ADHD? “Wilt u koopzegels?” vraagt ze. “O nee, ik moet eerst vragen of u een bonuskaart heeft. Heeft u een bonuskaart? Ik ben al vanaf 9 uur vanochtend aan het werk en ik moet nog tot drie uur vanmiddag. Het is zó druk.” Ik overhandig mijn bonuskaart. “Wij moeten dingen in een bepaalde volgorde vragen. Eerst: heeft u een bonuskaart, dan wilt u koopzegels en dan wilt u pannenzegels. Wilt u de bon mee. En ik moet nog iets zeggen. O ja, ik wens u prettige feestdagen moet ik zeggen.”Ze ratelt en lacht maar door. Een ongemakkelijk gevoel bekruipt mij. Ik heb een zwak voor opgemaakte islamitische gezichtjes met een hoofddoek, maar hoe kom ik nu van haar af? Ze snapt toch wel dat ik eigenlijk haram ben? Ik lach en knik nog maar eens. “Dat wens ik jou ook”, zeg ik en stort mij op mijn boodschappen.

Buiten begeef ik mij lopend met mijn fiets en drie zware tassen richting de uitgang van de parkeerplaats. Voor de HEMA staat een mevrouw met een collectebus te rammelen. “Meneer, heeft u iets over voor kansarme kinderen?” Dat heb ik, maar het duurt even voor ik mijn portemonnee te pakken heb. Intussen gaat ze verder met iedere passerende voetganger te vragen of die iets over heeft voor kansarme kinderen. “Nou, ik betaal al erg veel belasting”, zegt een keurige meneer geïrriteerd. “Misschien moeten de ouders van die kinderen gewoon een keer gaan werken”, zegt een mevrouw die een jengelend kansrijk kind aan de arm meetrekt. “Sorry, sorry, sorry”, zegt een Marokkaanse jongen met zijn innemendste glimlach terwijl hij zijn armen wijd uitspreidt en voorbijloopt. Ik duw twee muntstukken in de collectebus, samen precies de helft van de prijs van de fles wijn die ik net gekocht heb, en de vrouw lijkt verrast dat er na de eerste munt nog een tweede komt. “Het is toch een schande meneer”, zegt ze “zoveel mensen bij de voedselbank in Nederland, het is echt waar, anders stond ik hier niet.” Stichting Kansarme Kinderen staat er op de collectebus en ik neem mij voor thuis toch even op het internet te kijken of die stichting echt bestaat en of die misschien aan de SP gelieerd is. Ik beaam volmondig alles wat ze zegt en maak mij uit de voeten.

Op eerste kerstdag zag ik in het NOS-journaal dat in Londen iedere nacht achtduizend daklozen op straat slapen. Je zag de forensen ’s morgens langs de slaapzakken heenlopen. Menselijk restafval van het economisch succes. Waar gehakt wordt vallen spaanders. Als je niet tot de doelgroep van David Cameron hoort, of, dichter bij huis, tot de doelgroep van Mark Rutte, zoals onze vakkenvulster bij Albert Heijn, een hardwerkende Nederlander, maar toch doet ze iets fout, want anders had ze wel een huis, dan heb je het zwaar. Maar echt boos werd ik pas toen ik de volgende dag las dat in Berlijn zeven vluchtelingen geprobeerd hadden een dakloze in brand te steken. Mijn bloed begon werkelijk te koken. Wat denken die gelukzoekers wel? Laten ze thuis hun eigen daklozen gaan affikken en de onze met rust laten. Waar moet het heen met de wereld als je zelfs als dakloze je leven niet meer zeker bent?

Met de doden spreken

Mijn nicht, Johanna, had zichzelf van het leven beroofd. Een oom van haar vaders kant die al jaren lang geen belangstelling meer voor de familie aan de dag legde, belde haar ouders op om te vragen “hoe of ze het gedaan had.” Belangstelling kan uitdoven, maar nieuwsgierigheid en harteloosheid zijn onuitroeibaar.

Op een bewolkte zomerdag in 1975 togen we naar het kerkhof om haar te begraven. Mijn vader stond erop dat wij onze fietsen niet bij het kerkhof zouden stallen, maar in de tuin van een goede bekende van hem, meneer V. die daar vlakbij woonde; volgens mijn moeder alleen maar omdat hij dan goede sier kon maken bij meneer V. met het vreselijke verhaal over het tragische einde van onze nicht.

Johanna had een paar jaar eerder belijdenis gedaan bij een moderne dominee die het antwoord op veel vragen zelf ook niet wist en die een grote aantrekkingskracht op ongelukkige jonge mensen had, zowel van binnen als van buiten de kerk. De buitenkerkelijk opgevoede homofiele zoon van een jeugdvriendin van mijn moeder had tegelijk met haar bij dezelfde dominee belijdenis gedaan en ook hij zou later zelfmoord plegen. Omdat deze dominee inmiddels naar een andere gemeente vertrokken was werd de plechtigheid geleid door zijn opvolger, die enkele woorden sprak naar aanleiding van de door hem voorgelezen Psalm 39. Na afloop van de plechtigheid zou ik met mijn zus nog ruzie krijgen over de juiste interpretatie van deze woorden.

Toen we op het kerkhof aankwamen trad ons een oudere dame tegemoet die als enige van de aanwezigen geen verslagenheid maar juist een zekere vreugde leek uit te stralen. Ik voelde onmiddellijk een sterke antipathie tegen haar. Zij bleek een tante van mijn moeder te zijn, over wie ik al veel gehoord had, maar die ik nog nooit had ontmoet. Tante Cato was spiritiste, lid van Harmonia en kerkte, merkwaardig genoeg, bij voorkeur bij een van de vele zwartekousengenootschappen die haar woonplaats rijk was “omdat ze daar zulke fijne dominees hebben.” Zij straalde uit dat ze een Wetende was en deelde ons ongevraagd mee dat Johanna nu beter af was. Het ontbrak er nog maar aan dat ze beweerde dat ze haar die ochtend nog gesproken had.

Het was een droevige plechtigheid. De man van Johanna huilde, al zou hij spoedig hertrouwen. Haar invalide vader in zijn rolstoel snikte hartverscheurend. Verder zweeg iedereen, behalve uiteraard de dominee, die ervoor betaald werd iets te zeggen. Na afloop bleek tot mijn verrassing tante Cato niet als enige hoopvol gestemd. Een huisvriend van mijn ouders die zich vanuit zijn godsdienstige achtergrond oprecht zorgen maakte over de vraag of Johanna niet de helse verdoemenis in plaats van de hemelse zaligheid deelachtig was geworden, vertrouwde, alvorens op de Solex naar huis terug te rijden, mijn moeder ontroerd toe dat hij God om een teken had gevraagd “als ze behouden was en precies op dat moment brak de zon door.”

Arme Johanna. Het is tegenwoordig heel gewoon om gestorvenen in advertenties en bij uitvaarten toe te spreken alsof ze nog in ons midden zijn en alles meebeleven. Je hoort weliswaar nooit iets terug, maar daar lijken de sprekers ook niet echt behoefte aan te hebben. Bij Johanna’s uitvaart heeft in ieder geval niemand het gewaagd om haar hardop te vragen waarom ze niet meer wilde leven. En waarom zouden ze ook? Haar naasten hadden er bij haar leven al blijk van gegeven dat ze haar niet serieus namen. Maar wat zou het mooi geweest zijn als daar, terwijl de kist naar beneden zonk, opeens de stem van Johanna geklonken had terwijl ze haar woede-uitbasting inleidde door zelf het begin van Psalm 39 nog eens aan te halen:

Ik had mij voorgehouden: Ik moet mij beheersen
en mijn tong voor zonde behoeden
mijn mond met een muilband bedwingen
te midden van mensen zonder God of gebod.

Het zou, vermoed ik, zelfs tante Cato met stomheid hebben geslagen.

Iconisch

Nieuwslezer: Het is vandaag Goede Vrijdag, de dag waarop in de Grote Kerk in Naarden traditiegetrouw de Matthäus-Passion wordt uitgevoerd in het bijzijn van veel prominenten en politici. Bij de kerk staat onze verslaggever Gerri Olijfhof. Gerri heb je al leden van het kabinet naar binnen zien gaan?

Verslaggever: Jazeker, de opkomst is weer als vanouds hoog. Zojuist sprak ik al met diverse bewindspersonen die hier naar binnen gingen en ik vroeg ze wat de Matthäus-Passion voor hen persoonlijk betekent.

Ronald Plasterk: Volkomen krankjorum natuurlijk wat er met die Jezus gebeurt. Je kunt over alles met mekaar van mening verschillen maar van de Messias blijf je met je tengels af. Tegenwoordig zou het complot tegen Jezus trouwens al in een heel vroeg stadium ontdekt en opgerold zijn dankzij het werk van onze veiligheidsdiensten. Ik kan daar niet teveel over zeggen zoals u begrijpen zult, maar vooral de Amerikanen zijn daar erg goed in, zoals u wellicht weet.

Sharon Dijksma: Het is ongelooflijk wat muziek met je kan doen. Vlak voor mijn vertrek als staatssecretaris van Landbouw heb ik nog onderzoek laten doen naar de invloed van klassieke muziek op de melkgift bij koeien op stal. Die bleek significant toe te nemen. Bovendien werden de dieren er rustiger van en hadden ze minder gezondheidsklachten. Dat is goed nieuws voor de boer, de consument en de koe zelf. In verder onderzoek moet worden gekeken of dit ook kan worden uitgebreid naar koeien die buiten in de wei lopen. Je zou ze bij voorbeeld kunnen uitrusten met een soort oordopjes die we prima in die gele flappen kunnen inbouwen. Maar dat is meer iets voor mijn opvolger.

Henk Kamp: Ik kom eigenlijk vooral voor die aardbeving op het einde. De aarde beefde en  de rotsen spleten maar over schade aan woonhuizen lees je eigenlijk niets. Was er misschien aardbevingsbestendig gebouwd? Verwachtten de mensen van de overheid dat die de schade zou vergoeden? Jezus was door het bevoegd gezag ter dood veroordeeld, dus je zou de overheid aansprakelijk kunnen stellen voor de gevolgen van dat besluit. Toch lezen we niets over verongelijkte burgers die politieke ambtsdragers naar het leven stonden.

Ard van der Steur: Als minister van Veiligheid en Justitie kan ik niet ontbreken. Het stuk speelt zich tenslotte af op mijn beleidsterrein. Interessant is dat vanuit het volk de roep om een strenge straf komt en dat daar ook gehoor aan wordt gegeven. Een gerechtelijke dwaling zou ik het vonnis niet willen noemen. Een minimum aan medewerking mag toch van een verdachte worden verwacht, zeker als die onschuldig is.

Jeroen Dijsselbloem: Zoals u weet ben ik al meer dan eens voor Judas uitgemaakt als het over Griekenland ging dus u begrijpt wel waar mijn sympathie ligt. Dertig zilverlingen was een behoorlijk bedrag in die tijd en wat vooral opvalt is dat toen Judas het bedrag retourneerde, de autoriteiten het bedrag een bestemming in de sfeer van de publieke voorzieningen hebben gegeven. Het was een meevaller op de begroting die ze niet meteen weer verjubeld hebben.

Jet Bussemaker: Ik ben met het bestuur van de Nederlandse Bachvereniging in gesprek over de invulling van de solopartijen. Zoals u misschien weet zijn er, afgezien van de aria’s, acht solopartijen die door een man gezongen worden en slechts drie door een vrouw. En die mannelijke rollen zijn niet de minste. Neem alleen al Jezus en de evangelist. Ik zeg niet dat het makkelijk zal zijn voor een vrouw om die rollen te zingen, maar er is ook nooit serieus naar gekeken. In ieder geval heb ik het bestuur duidelijk gemaakt dat verdere verdringing van alten door countertenors wat mij betreft volstrekt buiten de orde is.

Sander Dekker: Met alle respect, maar ik vind de uitvoering niet meer van deze tijd. We weten dat Bach zelf met meerdere versies in de weer is geweest, dus waarom altijd weer die vertrouwde kost. En dan dat Duits. Terwijl er een fantastische Engelse vertaling bestaat. Ik pleit voor een meer interactieve vorm van uitvoeren met invloed van het publiek, deelnemers, eigentijdse kunstenaars, iedereen eigenlijk. Op die manier maken we het werk toekomstbestendig. Jezus blijft toch een iconische figuur en het zou jammer zijn als toekomstige generaties op dit meesterwerk uitgekeken zouden raken.

Martin van Rijn: Ik had eigenlijk liever naar de Johannes-Passion gegaan omdat daar de scène in zit waarin Jezus zijn moeder Maria en zijn leerling Johannes aan elkaar koppelt. Een prachtig voorbeeld van mantelzorg omdat Johannes daarna Maria bij zich in huis nam. En hoe dat uitwerkte! Want Maria heeft daarna nog een geweldig stempel op de kerk weten te drukken waar veel gelovigen ook vandaag nog de vruchten van plukken.

Bert Koenders: Wat mij interesseert is dat zowel Pilatus als Herodes eraan te pas kwamen. Ze waren vijanden, maar vanaf die dag werden ze vrienden. Als je ziet hoe gecompliceerd de verhoudingen ook vandaag de dag nog vaak liggen in het Midden-Oosten is dat eigenlijk niets minder dan een wonder. Er wordt wel gezegd dat Jezus niet diplomatiek te werk ging, maar hij wist kennelijk ook partijen bij elkaar te brengen.

Verslaggever: En tenslotte de minister-president zelf:

Mark Rutte: Wat een onwijs gaaf evenement is dit toch. Kijk die drukte weer eens. Wie nu nog geen kaartje heeft kan beter thuis blijven. Ik zie dit als een moment van bezinning. We zijn in oorlog zoals u weet en onze manier van luisteren naar muziek ligt onder vuur. Volgens sommigen dienen we ons als een lam naar de slachtbank te laten leiden, maar het kabinet deelt die mening niet. Wij slaan vanaf morgen weer gewoon terug en liefst zo hard mogelijk. Maar als u me nu wilt excuseren?

Verslaggever: Als deze reacties iets duidelijk maken dan is het wel dat de Matthäus-Passion na bijna driehonderd jaar nog niets aan actualiteit heeft ingeboet. En ook dat dit werk, in al zijn gelaagdheid, kennelijk voor iedereen iets heel persoonlijks te bieden heeft. Dat tekent enerzijds het genie van Bach en anderzijds kan gezegd worden dat, ruim twintig eeuwen na die eerste Goede Vrijdag in Jeruzalem, de conclusie dat Jezus niet voor niets gestorven is alleszins gerechtvaardigd lijkt.

Nieuwslezer: Dank je wel Gerri, daar bij de Grote Kerk in Naarden. En dan nu iets heel anders.

 

 

Saai

Wie één keer over zijn lichamelijke gezondheid heeft geschreven en daarbij een operatie aankondigde moet natuurlijk met een vervolg komen. Want hoe is het nu met de patiënt? Ik ben twaalf dagen geleden uit het ziekenhuis ontslagen en al die tijd voel ik al de verplichting om mijn trouwe volgers te informeren. De verplichting ja. Want inspirerend is het niet om te moeten schrijven dat alles goed is, dat het meeviel en dat er eigenlijk niets aan de hand is. Ik, die met alles wat ik schrijf altijd maar één doel heb, namelijk duidelijk maken dat er met het leven onnoemelijk veel mis is, dat je niemand kunt vertrouwen en dat het nergens veilig is, zou nu opeens moeten gaan melden dat alles dik in orde is? Het voelt alsof ik terug ben op de middelbare school en opgezadeld word met een onmogelijke opsteltitel, zoals “Mijn fijnste vakantie” of “Mijn mooiste herinnering”.

Maar oké. Voor deze keer dan. Alles is goed. De zorg was perfect. De verpleging, de chirurg, de anesthesist, het morfinepompje: perfect. Het infuus, de katheter, de postoel: perfect. De andere patiënten op zaal: vertederend. Het herstel: voorspoedig. Het verwijderde weefsel: maagdelijk, vrij van verontreinigende startups. Verdere behandeling: overbodig. De casemanager oncologie: niets meer van vernomen. Ik heb verassend veel blijken van medeleven ondervonden: bezoek, bloemen, kaarten, cadeaus en virtuele betrokkenheid via satellietverbindingen en glasvezelkabels. Het was hartverwarmend. Helend, ongetwijfeld. Maar ik weet niet hoe ik erover moet schrijven zonder dat het in stichtelijk gestamel ontaardt. Voor één keer zou ik willen dat ik meer op Linda de Mol leek. Had ik ook maar dat vermogen om het volstrekt alledaagse als een onvergelijkelijk hoogtepunt te beleven. Maar zeg nou zelf, lieve mensen, als alles goed is, waar moet je dan nog over schrijven? Soms schuurt het leven niet. Volgende keer beter en over tot de orde van de dag.

Nou ja, één ding moet me nog wel van het hart. Ik besef dat ik ontzettend veel geluk heb gehad. Ten opzichte van heel veel anderen voel ik me bevoorrecht. Waarom zij pech hadden en ik geluk? Wie zal het zeggen. De teerling is voor het moment geworpen. De goden dobbelen en voorlopig ben ik met de schrik vrijgekomen.

Startups

Ik wist niet dat ik het in mij had, maar ik ben van de ene op de andere dag kankerpatiënt geworden. Dat ging zo. Op veertien januari werd uit mijn dikke darm het lachwekkend hoge aantal van vijftien poliepen verwijderd. Aanvankelijk was ik daar wel trots op: zoveel creativiteit, in mij! Maar op twintig januari deelde de maag-darm-leverarts mij mee dat zich tussen de poliepen ook “een verrassing” had bevonden. Op één poliep waren “onrustige cellen” aangetroffen. Onrustige cellen! Ik voelde meteen sympathie voor ze omdat ik mijzelf erin herkende. Enkele van de meest ondernemende van die cellen waren ook al op weg naar de uitgang, door de steel van de poliep heen richting darmwand om van daaruit verder uit te zwermen en zo overal veelbelovende startups te beginnen.

Nouja. Poliepen die hun hoofd boven het maaiveld uitstaken en jonge, neoliberale cellen die in hun niets ontziende ambitie van plan waren het lichaam van een zestigplusser eens flink uit te wonen. Dit vroeg om een ingreep. De volgende ochtend lag ik alweer op de onderzoektafel voor een nieuw darmonderzoek, dit keer met als insteek de plek te lokaliseren waar de betreffende poliep gezeten had. Op een monitor kon ik zelf meekijken en zowaar, het rudimentaire steeltje dat als aandoenlijk restant was achtergebleven was in minder dan geen tijd gevonden. Links en rechts ervan werd Oost-Indische inkt in de darmwand gespoten zodat de chirurg de plaats delict feilloos zou kunnen terugvinden. Ploep, daar ging het eerste wolkje en daar, ploep, het tweede. Omdat ik live mee kon kijken kon ik het eigenaardige gevoel dat met het inspuiten van de wolkjes gepaard ging meteen een plekje geven.

Vijfentwintig januari werden mijn buik gescand en mijn longen gefotografeerd. De jacht op startups was begonnen. Gelukkig werden deze niet aangetroffen. Zesentwintig januari zat ik in de wachtkamer van de afdeling Oncologische Dagbehandeling te wachten op de casemanager, een gespecialiseerd verpleegkundige, die mij de komende vijf jaar gaat begeleiden. Of wachtkamer, het was meer een soort loungeruimte. Aan alles was te merken dat hier alleen Very Important Patients komen. Er was zelfs een soort knuffelwand, niet echt natuurlijk, maar bij wijze van spreken. Een muur helemaal vol met kaarten, krantenknipsels en advertenties van goedwillenden die duidelijk poogden te maken dat kanker niet het einde hoefde te zijn. Je kon bij voorbeeld yoga gaan volgen of tekentherapie en ook de onvermijdelijke schrijfcoach probeerde mij duidelijk te maken dat ik haar nu meer dan ooit nodig had. En er hing een interview met een vooraanstaand oncologisch specialist die Suzanne Kaal blijkt te heten. Kortom: veel om je aan op te trekken. Het tegenovergestelde van een klaagmuur: een hoopmuur. Op mij maakte vooral de wervende tekst op de folder voor tekentherapie veel indruk: “Tekentherapie onderscheidt zich omdat het probleem zichtbaar wordt.” Verdomd goede tekstschrijver, dacht ik en nam mij voor nog lang uit handen van de tekenjuf te blijven.

De afdeling Oncologische Dagbehandeling leek nog het meest op een kantoortuin, maar dan met verrijdbare bedden en gemakkelijke stoelen waarin patiënten, ontspannen hangend, via een infuus hun chemotherapie krijgen toegediend. Mijn casemanager heette Dorothee en leidde mij bekwaam tussen de patiënten door, die mij nieuwsgierig opnamen, naar een soort glazen spreekkamer alwaar zij erg haar best deed om mijn vertrouwen te winnen. Trek het je niet aan dat dat niet lukte, Dorothee. Het ligt niet aan jou. Gelukkig hebben we nog vijf jaar om aan elkaar te wennen. Want dat is het perspectief: binnenkort haalt de chirurg vijftien centimeter dikke- en vijf centimeter endeldarm weg, met omliggend klierweefsel, waarna het geheel wordt uitgekamd op startups. Worden die niet aangetroffen dan blijf ik vijf jaar onder controle. Worden ze wel aangetroffen dan zal ook ik een geregelde bezoeker worden van de kantoortuin waar Dorothee en haar gelijken de scepter zwaaien en zal ook ik, aangesloten op mijn infuus, de nieuwkomers daar met de ongegeneerde nieuwsgierigheid die mij eigen is, volgen op hun weg naar de glazen spreekkamer.

Lorumdagen

Het zijn weer de lorumdagen. Je staat laat op met niets bijzonders omhanden, het werk bestaat tijdelijk niet en je wordt geacht deze dagen etend, drinkend en winkelend door te brengen. Een soort jaarlijkse retraite waarin de zinloosheid van het bestaan intenser dan anders beleefd mag worden. Ploppen helpt, bij voorkeur vroeg op de dag, maar in geen geval later dan halverwege de middag. De drank biedt vergetelheid, een aangename roes waarin het afgelopen jaar oplost en het nieuwe ver weg lijkt. Nog even volhouden. Over een goeie week zal het bevrijdende juk van de eerste ontnuchterende werkdag in het nieuwe jaar op onze schouder landen. Moge het guur en koud zijn die dag. Mogen veel tegenwind en tegenslag ons ten deel vallen in het nieuwe jaar zodat wilskracht en vastberadenheid weer de overhand in ons krijgen. Maar voor nu zeg ik: plop.