Prozaïsch

Kerstverhaal

Albert Heijn, vrijdag voor kerst. Het is druk. Ik monster de mandarijnen die in de aanbieding zijn en hoor een jonge vrouw naast mij tegen haar vriend zeggen: “Ik ook. Ik beuk iedereen opzij.” Ik kijk voorzichtig in haar richting. Ze ziet er uit alsof ze het meent. Iemand die het ver gaat schoppen in deze wereld. Bij de groenteafdeling zijn twee personeelsleden als razenden bezig verpakte groenten in de koelvitrines te leggen. Ondertussen zien ze nog kans een gesprek met elkaar te voeren. “Waar is je dochter dan nu?”vraagt hij. “Bij mijn moeder”, antwoordt zij.” En je broer dan?” “Bij een vriend.” “Maar staat hij ingeschreven voor een huis?” “Ja, dat heeft hij nu net gedaan.” “Nu pas? Dan kan hij nog tien jaar wachten.” “Ja, dat weet hij, maar wat moet je? Zonder die kleine zou het wel te doen zijn.” Twee zakken gewassen spinazie van 400 gram elk, dat moet wel genoeg zijn. Ongelooflijk hoeveel van die zakken er nog op de kar liggen. En allemaal uit Spanje. Het Spaanse landschap moet er uitzonderlijk kaalgevreten uitzien deze dagen. Hoe zou het trouwens zijn om geen eigen woonruimte te hebben en als een razende de schappen te vullen voor mensen die wel een huis hebben en karrevrachten boodschappen meeslepen, als hamsters naar hun hol? Eigenlijk is alles best makkelijk te vinden, alleen de pijnboompitten, waar moet ik die vandaan halen? De filiaalmanager – ik ben pas tevreden als u het bent – die gekleed is alsof hij een galavoorstelling bijwoont, drukt mij glimlachend de duurste verpakking van het product in de hand en wenst mij nog net geen zalig kerstfeest.

Welke kassa ga ik nu kiezen? Ik heb een zwak voor islamitische caissières met een hoofddoekje, vooral als het gezicht dan ook nog zorgvuldig opgemaakt is. Ik tref het. Deze is heel vrolijk en vriendelijk. Opmerkelijk vrolijk en vriendelijk zelfs. Is de kerstdrukte haar naar het hoofd gestegen of heeft ze gewoon ADHD? “Wilt u koopzegels?” vraagt ze. “O nee, ik moet eerst vragen of u een bonuskaart heeft. Heeft u een bonuskaart? Ik ben al vanaf 9 uur vanochtend aan het werk en ik moet nog tot drie uur vanmiddag. Het is zó druk.” Ik overhandig mijn bonuskaart. “Wij moeten dingen in een bepaalde volgorde vragen. Eerst: heeft u een bonuskaart, dan wilt u koopzegels en dan wilt u pannenzegels. Wilt u de bon mee. En ik moet nog iets zeggen. O ja, ik wens u prettige feestdagen moet ik zeggen.”Ze ratelt en lacht maar door. Een ongemakkelijk gevoel bekruipt mij. Ik heb een zwak voor opgemaakte islamitische gezichtjes met een hoofddoek, maar hoe kom ik nu van haar af? Ze snapt toch wel dat ik eigenlijk haram ben? Ik lach en knik nog maar eens. “Dat wens ik jou ook”, zeg ik en stort mij op mijn boodschappen.

Buiten begeef ik mij lopend met mijn fiets en drie zware tassen richting de uitgang van de parkeerplaats. Voor de HEMA staat een mevrouw met een collectebus te rammelen. “Meneer, heeft u iets over voor kansarme kinderen?” Dat heb ik, maar het duurt even voor ik mijn portemonnee te pakken heb. Intussen gaat ze verder met iedere passerende voetganger te vragen of die iets over heeft voor kansarme kinderen. “Nou, ik betaal al erg veel belasting”, zegt een keurige meneer geïrriteerd. “Misschien moeten de ouders van die kinderen gewoon een keer gaan werken”, zegt een mevrouw die een jengelend kansrijk kind aan de arm meetrekt. “Sorry, sorry, sorry”, zegt een Marokkaanse jongen met zijn innemendste glimlach terwijl hij zijn armen wijd uitspreidt en voorbijloopt. Ik duw twee muntstukken in de collectebus, samen precies de helft van de prijs van de fles wijn die ik net gekocht heb, en de vrouw lijkt verrast dat er na de eerste munt nog een tweede komt. “Het is toch een schande meneer”, zegt ze “zoveel mensen bij de voedselbank in Nederland, het is echt waar, anders stond ik hier niet.” Stichting Kansarme Kinderen staat er op de collectebus en ik neem mij voor thuis toch even op het internet te kijken of die stichting echt bestaat en of die misschien aan de SP gelieerd is. Ik beaam volmondig alles wat ze zegt en maak mij uit de voeten.

Op eerste kerstdag zag ik in het NOS-journaal dat in Londen iedere nacht achtduizend daklozen op straat slapen. Je zag de forensen ’s morgens langs de slaapzakken heenlopen. Menselijk restafval van het economisch succes. Waar gehakt wordt vallen spaanders. Als je niet tot de doelgroep van David Cameron hoort, of, dichter bij huis, tot de doelgroep van Mark Rutte, zoals onze vakkenvulster bij Albert Heijn, een hardwerkende Nederlander, maar toch doet ze iets fout, want anders had ze wel een huis, dan heb je het zwaar. Maar echt boos werd ik pas toen ik de volgende dag las dat in Berlijn zeven vluchtelingen geprobeerd hadden een dakloze in brand te steken. Mijn bloed begon werkelijk te koken. Wat denken die gelukzoekers wel? Laten ze thuis hun eigen daklozen gaan affikken en de onze met rust laten. Waar moet het heen met de wereld als je zelfs als dakloze je leven niet meer zeker bent?

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s