Poëtisch

Wij

Wij vulden de schoolpleinen en speelplaatsen
met onze kinderen en aanwezigheid
troefden dagelijks elkaar af met onze verhalen
corrigeerden demonstratief ons nageslacht
alles kochten wij voor de eeuwigheid
de belangrijkste mensen ter wereld waren wij
hoeders van ons eigen voortbestaan
nooit voelden wij ons sterker dan toen
er nog een kinderlijk geloof in ons was.

Wij maakten de wereld leefbaar
bouwden aan bruggen, wegen, verbinding
spin in het web waren wij
geboren in het lichtste moment van de geschiedenis
genoten wij vanzelfsprekende voorrechten
torens van Babel richtten wij op
als vorsten leefden wij, lachten om piramides
kriskras over de aardbol vlogen wij
ons netwerk zorgvuldig onderhoudend.

Wij scharrelen doelloos rond in de eetzaal
een enkeling nog zonder rollator
de bruggen en wegen die wij bouwden
zijn rijp voor de sloop de steden
die wij bewoonden bestaan niet meer
verschrompeld zijn onze wolkenkrabbers
ons besef van bestaan lost langzaam op
hadden wij kinderen of waar zijn die dan
wanneer komt de zuster, wie brengt ons thuis.

Poëtisch

Dordrecht

Havens, kades, grachten, gaten
twaalfhonderdtwintig plekken waar je
onbedoeld zou kunnen verdrinken.

Scheefgezakte gevels roepen:
rijk zijn wij aan geschiedenis
sinds de handel als bij overslag verdween.

Gelukkig zijn er de dagjesmensen
dwalend tussen beschimmelde grandeur
en afbladderend verleden wijzen zij
elkaar op fiere restauratieresultaten

voldaan zijgen zij neer op een terras
onverdroten klotst het water.

Poëtisch

Besloten gezelschap

In mijn hoofd hoor ik de prachtigste zinnen
wonderen van taal en klankschoonheid
een virtuoze manifestatie van het scheppende woord
glorieuze vergezichten worden geschilderd
diepe inzichten vrijgegeven
toehoorders op het verkeerde been gezet
en dan weer bij de hand genomen
gegoocheld wordt er met paradoxen,
metaforen, hyperbolen, ja zelfs
met stijlfiguren die niemand nog kent
niet zelden duizelt het mij en hap ik naar adem
als ik het beluister.

Ik weet het zeker
ook al versta ik letterlijk geen woord
van wat al die stemmen in dat afgesloten vertrek in mijn hoofd
roepen (tegen elkaar? tegen mij? tegen de wereld?)
Op een dag vind ik een luik in de muur van die kamer
en schuif het open: horen en zien zal mij vergaan
als ik koortsachtig alles wil gaan schrijven wat ik hoor –
geen beginnen aan natuurlijk.

Poëtisch

Paasmorgen

Ik ontbijt met mijn herinneringen
aan gele servetjes en opgetogen kinderen
die met mandjes vol eieren
en verhalen terugkeren uit de tuin.

Dan wandel ik door uitgestorven straten
langs lege huizen naar het hospice
waar tot mijn opluchting het leven
gewoon lijkt door te gaan.

Prozaïsch

Kerstverhaal

Albert Heijn, vrijdag voor kerst. Het is druk. Ik monster de mandarijnen die in de aanbieding zijn en hoor een jonge vrouw naast mij tegen haar vriend zeggen: “Ik ook. Ik beuk iedereen opzij.” Ik kijk voorzichtig in haar richting. Ze ziet er uit alsof ze het meent. Iemand die het ver gaat schoppen in deze wereld. Bij de groenteafdeling zijn twee personeelsleden als razenden bezig verpakte groenten in de koelvitrines te leggen. Ondertussen zien ze nog kans een gesprek met elkaar te voeren. “Waar is je dochter dan nu?”vraagt hij. “Bij mijn moeder”, antwoordt zij.” En je broer dan?” “Bij een vriend.” “Maar staat hij ingeschreven voor een huis?” “Ja, dat heeft hij nu net gedaan.” “Nu pas? Dan kan hij nog tien jaar wachten.” “Ja, dat weet hij, maar wat moet je? Zonder die kleine zou het wel te doen zijn.” Twee zakken gewassen spinazie van 400 gram elk, dat moet wel genoeg zijn. Ongelooflijk hoeveel van die zakken er nog op de kar liggen. En allemaal uit Spanje. Het Spaanse landschap moet er uitzonderlijk kaalgevreten uitzien deze dagen. Hoe zou het trouwens zijn om geen eigen woonruimte te hebben en als een razende de schappen te vullen voor mensen die wel een huis hebben en karrevrachten boodschappen meeslepen, als hamsters naar hun hol? Eigenlijk is alles best makkelijk te vinden, alleen de pijnboompitten, waar moet ik die vandaan halen? De filiaalmanager – ik ben pas tevreden als u het bent – die gekleed is alsof hij een galavoorstelling bijwoont, drukt mij glimlachend de duurste verpakking van het product in de hand en wenst mij nog net geen zalig kerstfeest.

Welke kassa ga ik nu kiezen? Ik heb een zwak voor islamitische caissières met een hoofddoekje, vooral als het gezicht dan ook nog zorgvuldig opgemaakt is. Ik tref het. Deze is heel vrolijk en vriendelijk. Opmerkelijk vrolijk en vriendelijk zelfs. Is de kerstdrukte haar naar het hoofd gestegen of heeft ze gewoon ADHD? “Wilt u koopzegels?” vraagt ze. “O nee, ik moet eerst vragen of u een bonuskaart heeft. Heeft u een bonuskaart? Ik ben al vanaf 9 uur vanochtend aan het werk en ik moet nog tot drie uur vanmiddag. Het is zó druk.” Ik overhandig mijn bonuskaart. “Wij moeten dingen in een bepaalde volgorde vragen. Eerst: heeft u een bonuskaart, dan wilt u koopzegels en dan wilt u pannenzegels. Wilt u de bon mee. En ik moet nog iets zeggen. O ja, ik wens u prettige feestdagen moet ik zeggen.”Ze ratelt en lacht maar door. Een ongemakkelijk gevoel bekruipt mij. Ik heb een zwak voor opgemaakte islamitische gezichtjes met een hoofddoek, maar hoe kom ik nu van haar af? Ze snapt toch wel dat ik eigenlijk haram ben? Ik lach en knik nog maar eens. “Dat wens ik jou ook”, zeg ik en stort mij op mijn boodschappen.

Buiten begeef ik mij lopend met mijn fiets en drie zware tassen richting de uitgang van de parkeerplaats. Voor de HEMA staat een mevrouw met een collectebus te rammelen. “Meneer, heeft u iets over voor kansarme kinderen?” Dat heb ik, maar het duurt even voor ik mijn portemonnee te pakken heb. Intussen gaat ze verder met iedere passerende voetganger te vragen of die iets over heeft voor kansarme kinderen. “Nou, ik betaal al erg veel belasting”, zegt een keurige meneer geïrriteerd. “Misschien moeten de ouders van die kinderen gewoon een keer gaan werken”, zegt een mevrouw die een jengelend kansrijk kind aan de arm meetrekt. “Sorry, sorry, sorry”, zegt een Marokkaanse jongen met zijn innemendste glimlach terwijl hij zijn armen wijd uitspreidt en voorbijloopt. Ik duw twee muntstukken in de collectebus, samen precies de helft van de prijs van de fles wijn die ik net gekocht heb, en de vrouw lijkt verrast dat er na de eerste munt nog een tweede komt. “Het is toch een schande meneer”, zegt ze “zoveel mensen bij de voedselbank in Nederland, het is echt waar, anders stond ik hier niet.” Stichting Kansarme Kinderen staat er op de collectebus en ik neem mij voor thuis toch even op het internet te kijken of die stichting echt bestaat en of die misschien aan de SP gelieerd is. Ik beaam volmondig alles wat ze zegt en maak mij uit de voeten.

Op eerste kerstdag zag ik in het NOS-journaal dat in Londen iedere nacht achtduizend daklozen op straat slapen. Je zag de forensen ’s morgens langs de slaapzakken heenlopen. Menselijk restafval van het economisch succes. Waar gehakt wordt vallen spaanders. Als je niet tot de doelgroep van David Cameron hoort, of, dichter bij huis, tot de doelgroep van Mark Rutte, zoals onze vakkenvulster bij Albert Heijn, een hardwerkende Nederlander, maar toch doet ze iets fout, want anders had ze wel een huis, dan heb je het zwaar. Maar echt boos werd ik pas toen ik de volgende dag las dat in Berlijn zeven vluchtelingen geprobeerd hadden een dakloze in brand te steken. Mijn bloed begon werkelijk te koken. Wat denken die gelukzoekers wel? Laten ze thuis hun eigen daklozen gaan affikken en de onze met rust laten. Waar moet het heen met de wereld als je zelfs als dakloze je leven niet meer zeker bent?

Prozaïsch, Schrijfveren

Met de doden spreken

Mijn nicht, Johanna, had zichzelf van het leven beroofd. Een oom van haar vaders kant die al jaren lang geen belangstelling meer voor de familie aan de dag legde, belde haar ouders op om te vragen “hoe of ze het gedaan had.” Belangstelling kan uitdoven, maar nieuwsgierigheid en harteloosheid zijn onuitroeibaar.

Op een bewolkte zomerdag in 1975 togen we naar het kerkhof om haar te begraven. Mijn vader stond erop dat wij onze fietsen niet bij het kerkhof zouden stallen, maar in de tuin van een goede bekende van hem, meneer V. die daar vlakbij woonde; volgens mijn moeder alleen maar omdat hij dan goede sier kon maken bij meneer V. met het vreselijke verhaal over het tragische einde van onze nicht.

Johanna had een paar jaar eerder belijdenis gedaan bij een moderne dominee die het antwoord op veel vragen zelf ook niet wist en die een grote aantrekkingskracht op ongelukkige jonge mensen had, zowel van binnen als van buiten de kerk. De buitenkerkelijk opgevoede homofiele zoon van een jeugdvriendin van mijn moeder had tegelijk met haar bij dezelfde dominee belijdenis gedaan en ook hij zou later zelfmoord plegen. Omdat deze dominee inmiddels naar een andere gemeente vertrokken was werd de plechtigheid geleid door zijn opvolger, die enkele woorden sprak naar aanleiding van de door hem voorgelezen Psalm 39. Na afloop van de plechtigheid zou ik met mijn zus nog ruzie krijgen over de juiste interpretatie van deze woorden.

Toen we op het kerkhof aankwamen trad ons een oudere dame tegemoet die als enige van de aanwezigen geen verslagenheid maar juist een zekere vreugde leek uit te stralen. Ik voelde onmiddellijk een sterke antipathie tegen haar. Zij bleek een tante van mijn moeder te zijn, over wie ik al veel gehoord had, maar die ik nog nooit had ontmoet. Tante Cato was spiritiste, lid van Harmonia en kerkte, merkwaardig genoeg, bij voorkeur bij een van de vele zwartekousengenootschappen die haar woonplaats rijk was “omdat ze daar zulke fijne dominees hebben.” Zij straalde uit dat ze een Wetende was en deelde ons ongevraagd mee dat Johanna nu beter af was. Het ontbrak er nog maar aan dat ze beweerde dat ze haar die ochtend nog gesproken had.

Het was een droevige plechtigheid. De man van Johanna huilde, al zou hij spoedig hertrouwen. Haar invalide vader in zijn rolstoel snikte hartverscheurend. Verder zweeg iedereen, behalve uiteraard de dominee, die ervoor betaald werd iets te zeggen. Na afloop bleek tot mijn verrassing tante Cato niet als enige hoopvol gestemd. Een huisvriend van mijn ouders die zich vanuit zijn godsdienstige achtergrond oprecht zorgen maakte over de vraag of Johanna niet de helse verdoemenis in plaats van de hemelse zaligheid deelachtig was geworden, vertrouwde, alvorens op de Solex naar huis terug te rijden, mijn moeder ontroerd toe dat hij God om een teken had gevraagd “als ze behouden was en precies op dat moment brak de zon door.”

Arme Johanna. Het is tegenwoordig heel gewoon om gestorvenen in advertenties en bij uitvaarten toe te spreken alsof ze nog in ons midden zijn en alles meebeleven. Je hoort weliswaar nooit iets terug, maar daar lijken de sprekers ook niet echt behoefte aan te hebben. Bij Johanna’s uitvaart heeft in ieder geval niemand het gewaagd om haar hardop te vragen waarom ze niet meer wilde leven. En waarom zouden ze ook? Haar naasten hadden er bij haar leven al blijk van gegeven dat ze haar niet serieus namen. Maar wat zou het mooi geweest zijn als daar, terwijl de kist naar beneden zonk, opeens de stem van Johanna geklonken had terwijl ze haar woede-uitbasting inleidde door zelf het begin van Psalm 39 nog eens aan te halen:

Ik had mij voorgehouden: Ik moet mij beheersen
en mijn tong voor zonde behoeden
mijn mond met een muilband bedwingen
te midden van mensen zonder God of gebod.

Het zou, vermoed ik, zelfs tante Cato met stomheid hebben geslagen.

Poëtisch

De groepsreis

Er was een tijd dat social media veelbelovend leken
er was een tijd dat muren vielen

er was een tijd van derde werelden en wegen
er was een tijd dat je naar Joegoslavië kon gaan

er was een tijd van eenwording en opbouw
er was een koude oorlogstijd

er was een tijd van nooit meer gaskamers
nu is een tijd van ieder tegen allen.